Hoor je in die angstaanjagende duisternis de snelle hoeven van het paard dat tot bloedens toe wordt aangespoord? Hoor je hoe de wind huilt en de bladeren ritselen? Zie je de vader die in zijn armen het kind houdt dat zich, steeds bleker, tegen zijn borst aandrukt?

"Och pa! Zie je de Wilgenkoning niet?"

Het paard rent, rent; het vliegt vooruit; de hoeven vonkend, door de huiveringwekkende duisternis ....

"Wees niet bang, kind, het is slechts een wolk die voorbij drijft."

Maar een zoetgevooisde stem klinkt van achter een groene heuvel. Luister er niet naar, want ze is vals en misleidend als de stem van sirenen.

"Pa, pa, hoor je niet wat de Wilgenkoning zachtjes tegen me zegt?"

Het paard rent, rent; het vliegt vooruit; de hoeven vonkend, door de huiveringwekkende duisternis ....

"Kalm, mijn zoon, er is niets aan de hand, het is de wind die de bladeren doet opwaaien."

Maar weer is daar die stem, nu zachter, wat strelender en verleidelijk. Ze belooft het kind geurige bloemen, spelletjes aan de waterkant en dansjes op de tonen van vrolijke muziekinstrumenten ....

"Och pa, zie je de dochters van de Wilgenkoning niet, die daar zo vrij aan het dansen zijn?"

"Ja, kind, ik zie het, maar het zijn oude wilgenstronken die vanuit de verte op grijze spoken lijken"

Weer is daar die zachte, zoetgevooisde stem; maar ineens slaat zij een dreigende toon aan. En het kind slaat een hartverscheurende kreet.

"Vader, vader, de Wilgenkoning grijpt mij vast!"

De vader voelt het koude zweet over zijn rug, hij drukt de sporen in de flanken van het paard en houdt zijn jammerende zoon tegen zijn borst gedrukt. Eindelijk is hij thuis en haalt opgelucht adem. Alle angst is voorbij. In zijn armen houdt hij zijn kind .... het is dood.